100.000 Brabantse slachtoffers door huiselijk geweld: ‘Het onbegrip is nog heel groot’

EINDHOVEN - Een enorm aantal Brabanders heeft te maken met fysieke en seksuele mishandeling in eigen huis. Ondanks de groeiende aandacht voor het probleem is het taboe nog altijd groot. Bovendien is de hulpverlening lang niet altijd goed geregeld. Wat gaat er fout, en hoe kan het beter?

De aantallen zijn duizelingwekkend. In onze provincie zijn er volgens recent onderzoek naar schatting zo'n 110.000 volwassenen die in de laatste vijf jaar te maken gehad hebben met huiselijk geweld. Dat zijn meer mensen dan in Helmond wonen. In zo’n 22.000 gevallen gaat dat om structurele fysieke en seksuele mishandeling. Voor het merendeel zijn dit vrouwen, maar ook mannen krijgen er mee te maken.

Ook zijn er bijna 15.000 kinderen slachtoffer van mishandeling. Dat betekent dat in elke schoolklas minstens één kind zit dat te maken heeft met geweld in eigen huis.

LEES OOK: Madelon en haar kinderen werden zes jaar lang zwaar mishandeld: 'Hij wilde ons vermoorden'

Aantal meldingen neemt toe
Teun Haans van hulporganisatie Sterk Huis heeft de afgelopen jaren gezien hoe het aantal meldingen bij advies- en meldpunt Veilig Thuis toeneemt. “Dat komt deels doordat we beter zijn gaan registreren.” Ook is de schaamte bij slachtoffers iets kleiner geworden, waardoor ze makkelijker hulp zoeken.

Hij denkt ook dat het probleem misschien nog wel groter is dan we nu kunnen zien: “We zien een verschil tussen landelijke wetenschappelijke onderzoeken en zelfrapportages waarin kinderen werd gevraagd of ze wel eens mishandeld waren. In de zelfrapportages kwamen ze op een cijfer van 1 op de 3 die wel eens mishandeld is. Dat is schrikbarend.”

Dus ondanks dat de aandacht is gegroeid, blijft er ook nog veel onzichtbaar: “Het taboe is nog steeds echt heel groot. Voor slachtoffers is het een hele grote stap om hulp te zoeken.” Dat beeld herkent Susanne Slikkerveer van Stichting Zijweg, dat slachtoffers ondersteunt. “Wij zien dat er het beeld heerst dat de hulpverleners niet doen wat zouden moeten doen. Mensen zijn bijvoorbeeld bang dat de kinderen uit huis worden gehaald. Daardoor is de angst voor de politie of hulpverleners groter dan om te blijven hangen waar ze in zitten.”

Lees verder onder de video:

 

Langs elkaar heen
Wat daarbij niet meehelpt is dat organisaties regelmatig langs elkaar heen werken. “Het komt voor dat je eerst je verhaal moet doen bij de politie, dan bij de huisarts, bij het wijkteam en daarna nog bij verschillende hulpinstanties. Dat is heel erg schadelijk. Een slachtoffer moet alles dan elke keer weer herleven”, zegt Haans.

Hij pleit ervoor dat een netwerk wordt gevormd tussen alle hulpverleners en betrokkenen om samen te overleggen. “Daarbij moet er één aanspreekpunt zijn voor het slachtoffer.” Iets wat hierbij nog een rol kan gaan spelen is de betere registratie van zaken. Een positieve ontwikkeling. Maar: “Al die registraties komen op het bordje van één organisatie: Veilig Thuis. De vraag is of het wel realistisch is om te verwachten dat die alles kunnen oplossen.” Groeiende wachttijden en overwerkte Veilig Thuis-organisaties zijn een risico.

'Onbegrip is heel groot'
Slikkerveer wil dat er meer gebruik wordt gemaakt van ervaringsdeskundigen. “Het onbegrip waar mensen tegenaan lopen is heel groot. We horen heel vaak van vrouwen die met een lotgenoot hebben gesproken: wat fijn dat ik met iemand kan praten die mij begrijpt.” Een van de weinige steden waar er serieus werk is gemaakt van deze aanpak is Breda: “Daar heeft Veilig Thuis er meerderen al echt in dienst. Wij hopen dat andere Veilig Thuis-organisaties dit overnemen.”

Deel dit artikel: