Wat doen deze insecten? Frans heeft wel een idee
Ieder weekend is er ook een nieuwe aflevering van de Stuifmail-podcast. Beluister de podcast hier:
Welk insect is een kevertje aan het injecteren?
Andre van Zoggel had op zijn zonnehoed een vreemd insect ontdekt. Dit insect was volgens hem een kevertje aan het injecteren. Wat hij zag, is een grote snuittordoder die een snuitkever stak. Dat heet parasiteren. De officiële naam van de grote snuittordoder is gewone knoopwesp. Maar omdat deze gewone knoopwesp vooral snuittorren gebruikt als prooi heeft dit insect ook de naam snuittorrendoder of snuitkeverdoder gekregen. Overigens parasiteren ze niet alleen snuitkevers. Soms gebruiken ze ook bladkevers als prooi.
Officieel vallen deze gewone knoopwespen onder de onderfamilie van de graafwespen dus graven ze hun nest in de bodem. Als ze hun prooi verlamd hebben, nemen de vrouwtjes van de gewone knoopwesp de prooien mee naar hun ondergrondse nesten. Het vervoer van die gladde kevers is overigens niet al te makkelijk. De vrouwtjes gebruiken dan ook hun kaken om één van de poten van de kever vast te houden. Daarna omklemmen ze met hun poten die lichamen en zo vliegen ze, zwaarbeladen, terug naar hun nesten. Daar dient de snuitkever of de andere prooi als voedsel voor de larven. Het nest bestaat uit verschillende cellen en in elke cel ligt een eitje. Daarna brengen de vrouwtjes tussen de vijf en twaalf snuitkevers of bladkevers naar elke cel.
Welk vreemd insect is dit?
Gerrie Meijer vroeg zich af welk dier zij gefotografeerd had en stuurde mij de foto. Op de foto zie je een beetje vreemd wezen dat behoort tot de insecten. Dit is de nimf van de smalle randwants. Wantsen hebben een onvolledige gedaantewisseling. Nadat deze diertjes uit hun ei gekropen zijn, zie je een diertje dat al heel veel lijkt op een volwassen wants. Dit kun je zien op de foto hieronder.
Dan breekt het laatste stadium aan van die onvolledige gedaantewisseling. Dan noemen we zo’n nog net niet volwassen diertje een nimf. Nimfen van de smalle randwants zijn een stuk kleiner dan de volwassen wants. Ze hebben een gedeeltelijk groen achterlijf. Dit is op de foto van Gerrie goed te zien. Smalle randwantsen komen bijna overal in ons land voor, zelfs op de Waddeneilanden. Je komt deze wantsensoort vooral tegen op door de zon beschenen struiken en ook bij bosranden. Je ziet ze zeker op besdragende struiken, zoals de lijsterbes, sporkehout, hondsroos en meidoorn. Op die struiken zoeken ze de rijpe bessen om het sap daarvan op te zuigen. Bij hoge temperaturen zie je veel volwassen wantsen, dan zijn ze erg actief.
Tijdens rustpauze een nestje op de grond gevonden
Tijdens het fietsen, zag Nel Janssen een nestje op de grond. Ze vraagt zich af van wie dit nestje geweest kan zijn. Volgens mij is het een nestje van de pimpelmees, dat ergens uit gevallen is.
Pimpelmeesvrouwtjes bouwen hun nesten in boomholtes en nestkasten. In die ruimtes maken ze komvormige en viltige nesten. Het zijn erg nette en zorgvuldig in elkaar gestoken constructies. Meestal bestaan die nesten uit de zachte bouwmaterialen: mos, strootjes en plantenwortels. Ze worden afgewerkt met nog zachtere materialen zoals wol, haren en vaak ook veertjes om de jongen warm te houden. Daardoor is het een zeer functioneel en goed afgewerkt nest. Dit zie je ook op de foto van Nel. De eitjes worden in dat zachte nestje in dertien tot vijftien dagen uitgebroed. Daarna blijven de jonge pimpelmezen nog tot ongeveer 23 dagen in hun nestje.
Is deze rups op mijn terras zeldzaam?
Tonny van den Braak zag een rups op zijn terras. Hij vraagt zich af welke rups dit is en of deze rups zeldzaam is. Wat hij zag, is de rups van een teunisbloempijlstaart. Zowel deze rups als de vlinder zijn een zeldzaamheid in Brabant, maar ze worden de laatste jaren wel meer en meer gezien. De mooie grote bruingrijze rups op de foto doet in eerste instantie denken aan de rups met de naam olifantsrups. Dat is de rups van de nachtvlinder avondrood.
Maar als je beter kijkt, blijkt dit een andere pijlstaartrups te zijn. Het verschil tussen deze twee bijna op elkaar lijkende rupsen zit in een aantal kenmerken. Alle pijlstaartrupsen, dus ook die van het groot avondrood, hebben een staartpijl. Maar de pijlstaartrupsen van de teunisbloempijlstaart hebben geen staartpijl. Op zich heel grappig, want juist naar die staartpijl is de familie vernoemd.
Wat erg onderscheidend en uniek is, is het ronde wittige vlekje op het achterste deel van het lichaam bij de rupsen van de teunisbloempijlstaart. Voorheen kwamen deze dieren enkel voor in Zuid-Limburg, maar ze zijn langzamerhand naar het noorden getrokken. Rupsen van de teunisbloempijlstaart zijn niet alleen op teunisbloemen te vinden maar ook op de basterdwederik en het harig wilgenroosje. De grote vlinder - met een spanwijdte van maximaal zestig millimeter - is een echte nachtvlinder en is dus enkel in de nacht actief.
Is deze vogel een bosruiter of toch niet?
Reinder Smid zag een vogel bij het water. Hij dacht aan een bosruiter, maar volgens mij is het een witgat. Het verschil tussen het witgatje en de bosruiter is de opvallende witte stuit en witte staartbasis van het witgatje, die deze vogel bij het wegvliegen zo mooi laat zien. Daarnaast valt de donkere kleur van de ondervleugels bij het witgatje op, terwijl de ondervleugels van de bosruiter licht gevlekt zijn. Tevens heeft het witgatje kortere en donkerdere poten, terwijl de bosruiter gelige en langere poten heeft.
Witgatjes zijn middelgrote - van boven zeer donkere - steltlopers. Ze broeden in Noord-Europa, niet in Nederland, en overwinteren in Zuid-Europa, Azië en tropisch Afrika. Overigens broeden ze dichtbij onze landgrenzen, in Duitsland. Vaak gebruiken ze als broedplek oude lijsternesten. Op hun menu staan kleine ongewervelden zoals insecten, slakken en spinnen, die ze uit de modder peuren, maar ook wormen en plantaardig voedsel. Je ziet ze vaak aan de randen van poelen en meren.
Grote snuittordoder - Waarnemingen Jeannie
De grote snuittordoder, gewone knoopwesp of grote snuittordoder is een vliesvleugelig insect uit de familie van de graafwespen. De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Linnaeus. De gewone knoopwesp wordt ook wel snuittorrendoder of snuitkeverdoder genoemd, want ze gebruikt snuitkevers (soms ook bladkevers) als prooi.