Jorrit vraagt zich af hoe spinnen een web maken, Frans legt het uit
Boswachter Frans Kapteijns deelt wekelijks zijn kennis van de natuur. Iedereen kan vragen insturen via [email protected]. Dit keer besteedt Frans onder meer aandacht aan hoe maken spinnen een web, wie knaagt er hoog in de boom en zijn er zwarte reeën. Deel twee van deze Stuifmail wordt zondagochtend gepubliceerd.
Ieder weekend is er ook een nieuwe aflevering van de Stuifmail-podcast. Beluister de podcast hier:
Hoe maken spinnen een web?
Jorrit Kager vraagt zich af hoe spinnen webben maken. Allereerst wil ik dan wel even melden dat er webmakende spinnen zijn, maar ook spinnen die geen web maken, de zogenoemde jagers.
Bij de webmakende spinnen kennen we in principe drie verschillende soorten van webbenmakers, namelijk de wielwebspinnen, de trechterspinnen (huisspinnen) en de hangmatspinnen. Ik ga enkel de webben behandelen van de wielwebspinnen, maar later in het voorjaar, vermoedelijk na carnaval, ga ik in een podcast alle Nederlandse spinachtige bespreken.
De wielwebspinnen, zoals de kruisspin, bouwen hun bekende, platte, ronde webben met spaken en spiraaldradenwebben. Ze hangen vaak tussen planten.
Die webben worden radiale webben genoemd en ze bestaan uit zowel kleefdraden als niet-kleefdraden. Het bouwen van zo’n web duurt ongeveer twintig minuten en de kruisspin start met het maken van een vierkant raamwerk.
Dit stevige raamwerk bestaat uit niet-klevende zijde en daarna gaat de spin vanuit het midden spaken spannen naar de randen van het raamwerk. Daarna wordt er een grote klevende, spiraalvormige draad van buiten naar binnen geweven over de spaken, waardoor een vangnet ontstaat en het web is klaar.
Tot slot maakt de spin nog een signaaldraad naar haar schuilplaats en het wachten begint.
In dit filmpje van de BBC zie je hoe zo’n kruisspin een web maakt:
Is het knaagspoor boven in de boom ook beverwerk?
Gerrit Heij weet dat er langs de Roovertsche Leij ten noorden van de Nieuwe Hoef al een tijd lang bevers zitten en hij stuurde een foto van het beverwerk.
Daarnaast ontdekte hij dat hoger in de boom ook de schors was weggehaald en er een flink gat was. Is dat ook beverwerk, vraagt hij. Zo te zien is dat duidelijk geen beverwerk, maar eerder spechtenwerk, eekhoornwerk of wasberenwerk.
Bevers kunnen niet klimmen. Wat sommige jonge bevers wel eens doen, is op half doorgezaagde, schuine bomen omhoog klimmen. Ook volwassen bevers doen dat soms, maar dit is heel uitzonderlijk.
De plek hoger op de boom is voor een bever onbereikbaar. Daarnaast denk ik zelfs dat niet een specht of een eekhoorn zulke sporen achterlaten, maar een wasbeer wel.
Wasberen zijn uitstekende klimmers. Zij hebben heel behendige voorpoten met daaraan heel scherpe klauwen. Ze kunnen dus met gemak bomen, muren, hekken en zelfs huizen beklimmen. Daarnaast kunnen ze zelfs met hun kop naar beneden uit de bomen komen. Op de opengemaakte plek zie je duidelijk openingen van gangen en gangen zelf waar heerlijke vette larven hebben gezeten, een kostje voor zo’n wasbeer.
Zijn er bruine en zwarte reeën?
Hetty van Hulten reed vanuit Haaren richting Oisterwijk en ze zag bij die weg een groepje van vier herten of reeën. Volgens haar medepassagiers en haarzelf zagen ze twee bruine en twee. Is dat bijzonder en moet het gemeld worden, vroeg Hetty zich af.
Allereerst zijn het reeën en geen herten. Daarnaast leven er in dit gebied geen edelherten of damherten. Reeën zijn klein en edelherten zijn een stuk groter, schofthoogte ree 90 centimeter en edelhert 1.40 centimeter.
Ik vond het lastig om goed te zien of ze echt zwart waren of dat het de wintervacht is van die reeën. De wintervacht bij reeën in de winter is dik en de kleur (donker) grijsbruine tot bruingrijze. Dit in tegenstelling tot de zomer, want dan is de vacht roodbruin.
We weten uit onderzoek, dat in ons land naar schatting 5 tot 10 procent zwarte (melanistisch) reeën leven, maar dat aantal varieert jaarlijks. Deze zwarte reeën zijn in de winter donkerder, maar het kan ook dat ze iets grijzer worden.
Dat alles maakt het heel verwarrend en moet je een langere tijd hebben om ze te bestuderen. Zwart kan dus en het is geen ziekte, maar een genetische kleurvariant, wat melanisme wordt genoemd. Komende tijd zal ik eens vaker in die buurt gaan zwerven en op zoek gaan naar deze reeën.
Van wie is dat holletje onder de stam van een boom?
Marco Eggebeen kwam op zijn wandeling langs een boom en zag daar een holletje onder aan de stam Hij vroeg zich af of dat een holletje van een muis kon zijn. Op de foto zie je een heleboel uitgegraven zand liggen en restjes van allerlei soort van voedsel, zoals afgeknaagde takjes. Volgens mij is het de ingang van een holletje van de bosmuis.
Bosmuizen zijn echte nachtdieren, die zeer actief en druk zijn. Hun voedsel bestaat zowel uit plantaardig als dierlijk voedsel. Ze eten het liefst zaden van grassen maar ook zaden van diverse andere planten. Verder eten ze bessen, noten, wortels en paddenstoelen, maar ook spinnen, slakken, kevers en rupsen en poppen van dag- en nachtvlinders.
Als het nodig is, klimmen ze in bomen of struiken om aan voedsel te komen. Ze zien er best wel grappig uit met hun grote ogen en oren. Daarnaast hebben ze een geinige en puntige snuit en hun staart is bijna net zo lang als de muis zelf.
Bosmuizen behoren tot de ware muizen en komen overal voor in ons land, niet alleen in het bos. Bij mij in de tuin zit er zelfs één vlakbij de achterdeur, in een klein perkje. In podcast 36 van 2 juli ben ik uitgebreid stil gaan staan bij de muizen. Je kan die podcast bovenin deze pagina in de player opzoeken.
Beautiful Spider Web Build Time-lapse - BBC Earth
Publicatie: 7 aug 2017
Spinnen zijn de meest verbazingwekkende webbouwers en met behulp van slow motion heeft het Earth Unplugged-team deze wielwebspin vastgelegd, terwijl hij een verbluffende structuur bouwde.
De wielwebspinnen zijn een familie van spinnen die wereldwijd tegen de drieduizend soorten telt. Sommige tropische soorten staan bekend om de grote webben. De meeste soorten, zoals de kruisspin, maken een veel kleiner web. De jachttechniek varieert naargelang de spin en de prooi.
Soms zit de spin in het midden van het web te wachten, soms zit ze aan de rand van haar hol, met een of twee poten aan de voeldraad. Eenmaal een prooi in het web verzeild raakt, en voldoende trillingen veroorzaakt, snelt de spin ernaartoe.
Soms gaat de spin er ook wel direct op af, of schudt het web verscheidene malen heen en weer waardoor de prooi vaak verder verstrikt raakt, precies gelokaliseerd en geïdentificeerd wordt. Wanneer een prooi niet beweegt, kan de spin interesse verliezen: dode prooien worden over het algemeen door spinnen genegeerd.

