Jos vond een dood dier in de berm, Frans denkt te weten wat er gebeurd is
Boswachter Frans Kapteijns deelt wekelijks zijn kennis van de natuur. Iedereen kan vragen insturen via [email protected]. Dit keer besteedt Frans onder meer aandacht aan een knapperd in een tuin, iets vreemds in een dennenboom, stokjes tussen de tegels en een aparte kikker. Deel twee van deze Stuifmail wordt zondagochtend gepubliceerd.
Dood jong dier in de berm gevonden
Jos Snijders vond in de berm een dood jong dier. Hij vraagt zich af of dit een reekalf zou kunnen zijn. Volgens mij klopt zijn gedachte. Ook ik denk dat het een jong reekalf is. Vooral als ik naar de pootjes kijk. In principe komt het embryo bij reeën, na een verlengde draagtijd, pas eind december tot ontwikkeling. Met als gevolg dat de reekalfjes pas rond eind mei, begin juni geboren worden, zie foto.
Waarom nu dus al zo’n gebeurtenis? Hoogstwaarschijnlijk is dit het gevolg van een verstoring in het leefgebied van die reegeit. De grootste oorzaak van die verstoringen zijn loslopende honden.
Daarnaast kan een teveel aan menselijke activiteiten en verkeer leiden tot vroegtijdige bevallingen. Tot slot kan er ook sprake zijn van een tekort aan voedselaanbod. Reeën zijn gevoelig voor de beschikbare energie in hun voedsel. Een slechte conditie van de reegeit door voedselschaarste kan invloed hebben op de zwangerschap.
Ook voedselschaarste kan ontstaan door verstoringen, zoals het los laten lopen van honden. Dus in natuurgebieden: altijd honden aan de lijn! Zeker van december tot en met juli. De hond aan de lijn, is voor andere zoogdieren wel zo fijn.
Voor de tweede keer een knapperd gezien in de tuin
Jet van Asten zag een knapperd in haar tuin. Ze wil graag de naam weten, want ze had de vogel nog nooit gezien. Wat Jet gezien heeft is een heel mooie spreeuw in diens zomerkleed. Als je goed kijkt naar de spreeuw zie je in principe eerst een zwarte vogel.
Als je de vogel vervolgens eens heel goed bekijkt, met bijvoorbeeld een verrekijker, dan zie je een scala aan felle kleuren. Zo’n mooi zomerkleed wordt vaak omschreven als een prachtig glanzend, iriserend verenpak met een schitterende groene, paarse en blauwe gloed.
Spreeuwen kun je overal tegenkomen in ons land: in steden, in dorpen op stations en bij boerderijen. Ze nestelen vaak in natuurlijke holtes in bomen, maar ook in nestkasten en in gebouwen. Officieel zijn het echte graslandvogels, die je in veel mindere mate op akkers en boomkwekerijen zal zien.
Graslanden - van vochtig tot droog - zijn dus favoriet, want daar vinden ze hun voedsel. Dit bestaat uit diverse insecten, maar ook de larven van die insecten zoals emelten. Dit voedsel zoeken doen ze op een heel speciale manier, meestal in groepsverband. Ze trippelen over de grond en met hun snavel prikken ze in de toplaag van de bodem. Dit speciale gedrag met de snavels noemen wij peuren. Ze zoeken dus feitelijk op de tast hun voedsel.
Een spreeuw in de tuin, waar zijn de anderen?
Francis Meijer heeft ook een vraag over een spreeuw. Ze zag één spreeuw in haar tuin en geen andere spreeuwen. Dat vond ze vreemd, want spreeuwen ziet ze altijd in zwermen. Dat klopt, een groot deel van het jaar zijn ze in zwermen te zien.
Maar broeden doen ze maar met z’n tweeën. Het mannetje van de spreeuw gaat op zoek naar een geschikte nestplaats. Zo’n nestplaats kan in een boom (vaak een voormalige spechtenholte), in een nestkast of onder dakpannen zijn. Het mannetje begint de nestplaats te vullen met nestmateriaal zoals gras, stro en blaadjes.
Daarnaast begint het mannetje ook te 'zingen' om een vrouwtje te lokken. Als er een match is, gaat het paartje het nest afbouwen. Op haar beurt bekleedt het vrouwtje dan de binnenkant van het nest. Meestal met zachtere materialen zoals veertjes, wol en mos.
De finishing touch neemt het mannetje voor zijn rekening. Hij versiert het nest met verse groene blaadjes en bloemblaadjes. Na de broedtijd gaan ook die twee spreeuwen weer op in de zwerm. Wellicht heeft Frances dus een mannetjesspreeuw in haar tuin gezien, op zoek naar een mooie nestplek.
Iets vreemds in een dennenboom gezien, wat is het?
André van Drunen trof iets vreemds aan in een grove dennenboom. Hij dacht eerst aan een nest of een maretak. Daarna ging hij inzoomen. Toen meende hij een miniboompje te was.
Een nest is het in ieder geval niet en een maretak kan al helemaal niet, want die groeien van nature niet in dennenbomen. Het oorspronkelijke leefgebied van maretakken is kalkrijk Limburg.
Een miniboompje komt er het dichtst bij, maar officieel heet zo’n vergroeiing een heksenbezem. De meeste mensen kennen het fenomeen heksenbezem in berken en meestal niet in dennenbomen. Toch kunnen daar wel degelijk ook heksenbezems in groeien.
Feitelijk is zo’n heksenbezem een soort vergroeiing. Die vergroeiingen ontstaan door het toedoen van micro-organismen zoals schimmels, bacteriën of fytoplasma's. Zo’n schimmel (de sporen of spore enkelvoudig) infecteert een groeipunt (knop) in de boom. Door die infectie gaan de slapende knoppen plotseling massaal en ongecontroleerd uitlopen. Wat je dan als mens ziet, is dicht kluwen van takjes dat lijkt op een bezem of een vogelnest.
Bij naaldbomen kan zo’n heksenbezem als een donkere bol, vanwege de vele naalden, in een boom zitten. Uiteindelijk kan zo'n heksenbezem in de grove den tot iets groots uitgroeien. Zie bovenstaande foto van een grote heksenbezem bij arboretum Kalmthout.
Stokjes en blaadjes tussen de tegels
Bep van Doorn ziet regelmatig tussen de tegels in de tuin stokjes en blaadjes steken. Ze vraagt zich af wie daarachter zit. Volgens mij zijn dat regenwormen, vooral de grote blauwkopworm of de pendelaar.
Zeker na regenval of bij hoge luchtvochtigheid zie je dit gedrag. Onder de bestrating is het dan vochtig. Hierdoor worden regenwormen actief en zoeken zij de voedselrijke, vochtige omgeving tussen de voegen op.
Allereerst komen de regenwormen in de nacht vanuit hun ondergrondse plekken naar boven. Ze gaan dan in de omgeving bladeren, takjes en ander organisch materiaal verzamelen.
Eenmaal dat voedsel gevonden gaan ze terug naar waar ze naar boven zijn gekomen. Ze trekken dan de takjes en blaadjes rechtop, tussen bestrating door, naar beneden. Dat gevonden voedsel gaan ze vervolgens verder verwerken in hun ondergrondse gangen. Soms hebben ze zoveel staan, dat je het voedsel in de ochtend nog rechtop tussen de bestrating kunt zien. Maar wees gerust, het wordt allemaal naar beneden getrokken.
Naast rechtopstaand voedsel kun je tussen de bestrating vaak ook hoopjes zand tussen de tegels zien liggen, zie de foto hierboven. Die hoopjes komen daar door regenwormen die onder deze tegels wonen. Zij laten deze hoopjes, wat uitwerpselen zijn, achter nadat ze gevallen bladeren, takjes en resten van planten gegeten hebben.
Eigenlijk zijn regenwormen dus opruimers, die weer voedsel achterlaten voor veel planten. Daarnaast graven ze tunnels en zorgen daarmee voor een betere bodemstructuur. Wat je dus nooit moet doen, is regenwormen bestrijden. Dan zorg je namelijk meteen voor een slechtere tuin of grasmat.
Is dit diertje een pad of toch een bruine kikker?
Peter van Tooren keek op van zijn werk in de tuin toen hij een aparte kikker, wat kleur betreft, zag wegspringen. Meestal ziet hij grote bruine kikkers in zijn tuin. Hij vraagt zich af of het amfibie dat hij zag een kikker of een pad is? Dat laatste is het diertje zeker niet. Deze oranje gekleurde kikker is volgens mij toch een gewone bruine kikker.
Het meest opvallend bij bruine kikkers zijn de twee bruine wangvlekken. Heikikkers hebben ook die bruine vlekken op de wangen, dan is een vergissing een klein beetje te verwachten. Alleen: heikikkers leven in beperkte locaties en bruine kikkers kun je overal tegenkomen. Ook in steden, als er maar water in de buurt is.
Een ander belangrijk kenmerk van dit dier is de duidelijk stompe snuit bij de bruine kikker. De onderzijde is meestal wit tot geelachtig, maar kan ook oranjerood zijn. Ook hier is vaak een donker vlekkenpatroon te zien.
Er is geen kleurverschil tussen de beide geslachten. Wel krijgen de mannetjes tijdens de paartijd een blauwachtige zweem. Bij vrouwtjes kleurt de onderzijde dan vaak roodachtig. Daarnaast is bij de gewone bruine kikker wat kleur betreft meer aan de hand. Bij die soort zie je verschillende kleurvarianten. Zie ook deze link.

