Bever, marter en vos leven al in de stad en er komen meer soorten aan
Het is een doordeweekse avond, de stad valt langzaam weg in de schemer als er midden in de Tilburgse binnenstad een soort kleine, langgerekte kat over de schutting loopt. Wat blijkt? Het gaat om een steenmarter die steeds vaker in de stad terug te vinden is. Een goede ontwikkeling, vindt stadsecoloog Rob van Dijk. “We jagen al een hele tijd niet meer op steenmarters en daarvan zien we nu pas het effect.”
Dat er steeds vaker dieren in de stad te zien zijn, heeft volgens de stadsecoloog meerdere redenen. “Het kan er mee te maken hebben dat er meer leefgebied is.” Als voorbeeld noemt hij de boomkikkers in de Reeshof, die lange tijd slechts op één plek in Brabant voorkwamen.
De tweede belangrijke reden is tijd. “We jagen al heel lang niet meer op bevers, marters en wolven. Daarvan zien we nu pas het effect”, legt hij uit, terwijl hij door de groenstrook langs de Cobbenhagenlaan wandelt. “De natuur heeft lang de tijd nodig gehad om te herstellen. De steenmarter zat alleen nog maar in een hoekje van Limburg, maar is weer helemaal teruggekomen.”
Maar hoe weet de stadsecoloog dan dat er meer wilde dieren in de stad leven? “Een van de manieren is dat we ze in de gaten houden met wildcamera’s”, vertelt hij. De andere manier is wat triester. “Je ziet het helaas ook aan het aantal aanrijdingen, dat neemt de laatste jaren toe.”
“Voor de dieren is een groenstrook hun snelweg.”
Wilde dieren als steenmarters hebben volgens Van Dijk een route van en naar de stad nodig. “Ik probeer de stad door de bril van de dieren te zien. Wij zien de stad heel anders, want wij hebben vooral baat bij stroken asfalt. Voor de dieren is een groenstrook hun snelweg.”
Zo’n route kan een park of stuk bos zijn, maar ook een beek. “De bever is vanuit Oisterwijk aan komen zwemmen over de Voorste Stroom en is het Leijpark ingegaan. “Daar worden wel eens bomen omgeknaagd, maar een burcht is er nog niet. Die bever is gewoon een stadsbewoner. Dat vind ik zo gaaf.”
“Zo’n beestje zou hier niet zitten als dit geen wild stukje bos was.”
Waar de stadsecoloog ook nog even een kijkje wil nemen, is het Spoorpark. Op een zonnige dag erg druk, maar ook daar zijn stukjes ongerepte natuur te vinden. Als er een staartmees op een van de bloemrijke takken van een wilde appelboom landt, begint stadsecoloog Rob van Dijk automatisch te fluisteren. “Zo’n beestje zou hier niet zitten als dit geen wild stukje bos was.”
Het Spoorpark is gebouwd op een oud rangeerterrein. “Op een klein stukje van dat gebied waar niet gewerkt werd, is toen spontaan bos gegroeid. Dat ligt nu nog naast de beachvolleybalvelden.”
In dat stukje bos staan een hoop bomen en als je goed kijkt zie je tussen de bramentakken door konijnenholletjes. “Het is nu wat drukker in het park, dus overdag zie je ze niet. Maar als je hier komt als het schemert, zou je ze zomaar kunnen zien. Het zijn er echt tientallen.”
“Ik vrees dat we dat niet helemaal kunnen tegenhouden.”
Niet veel verderop ziet Van Dijk ineens een ei liggen. “Ik denk dat het een eendenei is, want voor een duif is het te klein. Het zou zomaar kunnen dat dit ei opengebroken en opgegeten is door een steenmarter.”
Het gaat dus goed met de wilde dieren in de stad en Van Dijk verwacht dat er de komende jaren alleen maar meer soorten bijkomen. “Binnen nu en tien jaar zouden er otters kunnen zitten”, vertelt hij enthousiast.
Met een andere toekomstige stadsbewoner is hij minder blij. “Ook de wasbeer zit eraan te komen, maar die komt hier van nature niet voor. Daar hoef je niet heel blij mee te zijn, want die rooft van alles leeg, van vogelnesten tot vuilnisbakken. Ik vrees dat we dat niet helemaal kunnen tegenhouden.”
Net als Rob van Dijk vertelt ook boswachter Frans Kapteijns vol enthousiasme over de natuur. Beluister hier zijn wekelijkse podcast Stuifmail:
