Strijd om de stoep: waarom mensen hun plek claimen op de vrijmarkt
Koningsdag begint allang niet meer op 27 april. Wie goed oplet, ziet dat het feest dagen eerder losbarst. Niet met oranje tompoucen of fanfares, maar met stoepkrijt, tape en strategisch neergelegde kleedjes op de stoep. Psycholoog Mirella Brok legt uit waarom we massaal territorium afbakenen voor de vrijmarkt.
"Dit soort taferelen vind ik het allerleukst", vertelt Brok in het radioprogramma Stef Special van Omroep Brabant. "Dit is de mens in zijn kracht, met al zijn oranjegekte."
Volgens Brok ligt die oranjegekte diep verankerd in onzekerheid en de behoefte om erbij te horen. "We trekken massaal naar de grote steden voor de vrijmarkt. Daardoor ontstaat schaarste aan goede plekjes, en met die schaarste kunnen we slecht omgaan. We vragen ons af: heb ik wel een plek? Komt het wel goed?"
Om grip te krijgen op die onzekerheid zoeken mensen naar controle. "Door een plekje af te bakenen krijg je het gevoel dat je de situatie beheerst. Je weet zeker: dit is mijn plekje. En zodra één iemand daarmee begint, gaan anderen het als normaal beschouwen om hetzelfde te doen." Die na-aperij speelt een grote rol. "Bovendien vergroot het de voorpret, en dat vinden mensen prettig. Maar er kan ook iets grimmigs in zitten: als een ander het mag, dan mag ik het ook."
Mensen die op vakantie gaan en hun handdoek alvast op bedjes leggen in de vroege ochtend, delen volgens haar dezelfde achtergrond.
Een kleedje als stille waarschuwing
En als iemand een stukje van dat kleedje gebruikt of het plekje inneemt, kan dat al snel tot irritatie leiden. "Al is het maar een klein stukje van het neergelegde kleedje, daar kunnen mensen gek van worden", vertelt Brok. De openbare stoep voelt op zo’n moment niet langer als openbaar. "Je moet ineens communiceren met het kleedje."
