Minder geld voor toerisme in Brabant
Gemeenten beknibbelen steeds vaker op recreatie en toerisme, terwijl dit toch een belangrijke sector is van de Brabantse economie. Dat zegt de Kamer van Koophandel (KvK) Brabant na onderzoek naar het toeristisch-recreatieve beleid van de gemeenten. Directeur Henk Rosman van de KvK Brabant roept ondernemers en gemeenten op om te blijven investeren, in het belang van de sector en van het vestigingsklimaat in onze provincie.
Steeds meer gemeenten gebruiken de opbrengsten van de toeristenbelasting voor de algemene kas. Slechts zes procent van de gemeenten laat deze inkomsten volledig ten gunste komen van de sector zelf. Bijna 60 procent van de gemeenten doet dat helemaal niet, de rest voor een deel.
Een kwart van de Brabantse gemeenten int tussen de 50.000 en 100.000 euro per jaar aan toeristenbelasting, een kleine 40 procent zit tussen de 100.000 en 300.000 euro en 15 procent zit daarboven. De KvK pleit ervoor de toeristenbelasting te gebruiken voor uitvoering van het toeristisch beleid.
Weinig ambtenaren ingezet
Uit het onderzoek blijkt verder dat er minder geld wordt uitgetrokken voor projecten en voor samenwerking met de VVV. Ondanks een lichte stijging ten opzichte van twee jaar geleden worden er volgens de KvK zeer weinig ambtenaren ingezet voor recreatie en toerisme, zeker gezien de toeristische ambities van gemeenten. Een kwart van de gemeenten komt niet verder dan een halve voltijdsbaan, de helft moet het doen met een halve tot 1 voltijdsfunctie.
Polman noemt het positief dat steeds meer gemeenten toeristische beleidsvisies en actieplannen hebben. Deze bieden helderheid voor ondernemers.
Betere samenwerking
Verder toont het onderzoek aan dat regionale samenwerking tussen gemeenten op het gebied van recreatie en toerisme de afgelopen jaren is verbeterd. Ruim driekwart van de Brabantse gemeenten overlegt structureel met het toeristisch bedrijfsleven. De rol van ondernemers in deze samenwerkingsverbanden zal steeds prominenter worden. De KvK vindt dat de toeristische sector ook zelf "substantieel meer moet bijdragen aan collectieve informatievoorziening en promotie".
